Vroman
«20.000
mijlen onder zee
Toen ik ongeveer negen jaar oud was kreeg ik dat boek; het was niet
groot, had een dik hard blauw omslag met in gouden diepdruk 'Twintig
Duizend Mijlen Onder Zee' erop, en was geïllustreerd met
duistere gravures. De donkerte van diep water nestelde zich over mij
heen als ik met dit boek voor de gloeiende kachel op de grond lag. Er
was vrede in de vreemde, trage gevechten met het scharmaaiende gedierte
in de diepte, vrede in de eenzaamheid van de kapitein door een
onderwereldse ruimte bezeten. Het was, vrees ik, zijn rol die ik lezend
speelde, daar op de bodem, op het kleed. Als ik op moest staan en aan
tafel, duurde het enige tijd voor ik de nodige vijftien duizend mijlen
was gestegen; vaak ook werd ik door mijn bemanning, gemakshalve Vader
en Moeder genoemd, onder water bediend.
Ik had het gevoel, op een boeg te staan, de oceaan strekte zich ledig
voor mij uit en ik staarde in de verte, opnieuw voor duiken gereed.
Vanuit mijn ouders gezien moet ik een miezerig schouwspel hebben
geleverd als ik zo, met starre ogen, mijn brood met hagelslag zat te
kauwen, de armen over het kippe-borstje gekruisd, het magere snaveltje
op de tuin gericht. De duikers van vandaag bevolken zo ver als zij
kunnen de oceanen. De gevaren van de diepte bestaan nu uit kabels,
draden en camera's, en ontmoetingen beperken zich tot botsingen met de
heer A, ook al uit B, die kort geleden in diezelfde winkel dat zelfde
soort masker kocht met een wat duurder type zuurstof apparaat. Wie nu
een boeiend boek over het leven onder water wil schrijven, kan het
beste zich eerst in een sport-zaak op de hoogte stellen van de
werkwijze der duiktoestellen; hij dient foto's aan te vragen van de
belangrijkste diepzee onderzoekers en behoort, liefst op enige afstand
van zijn jongere en meer ervaren lezers, op zijn minst een duik te
wagen tot een diepte van tien voet. Anders zal het onmiddellijk na
publicatie van zijn werkje klachten regenen over de onjuistheden van
zijn science fiction. Het boek van Jules Verne is niet meer te
schrijven; rondom de tuinen van de onwerkelijkheid is het hoge
traliewerk vervallen en het groen vertrapt; en van het onmogelijke dat
zelfs nu nog niet mogelijk is gemaakt blijft nog slechts een
lachwekkend klein beetje over. Het verre eiland, eens dromende, torst
slapeloos het woelen van toeristen; de dieren trekken zich terug, onder
de menselijke wet beschermd, om zich te doen tellen, goedkeuren en
registreren. De naar stilte hongerende horden van schrijvers, denkers
en droomzuchtigen stort zich op de dichtste wouden, de hoogste toppen,
de vreselijkste kuilen en puisten op deze kleine aarde in de hoop om
juist nog buiten het gejoel te kunnen sterven. De polen worden kleiner,
het ijs wordt platgeschaafd om de gevulde vliegtuigen te ontvangen; de
nieuwe Nautilus duikt onder op het bevel der volkeren. Ook wie vluchten
wil in het verre verleden, begeeft zich tegenwoordig niet meer in het
land van kunst, maar van wetenschap, van mening en vergelijking,
verwerping of bevestiging.»
Leo
Vroman in "Achttien schrijvers kiezen een boek" Amsterdam,
ABC/Querido, 1956.