George Steiner
«Lezen is een kunst
die uit de mode raakt. Na de Gutenbergse revolutie dreigt het
boek steeds meer te verworden tot vliegtuiglectuur. De kloof tussen het
alfabetisme van de moderne massamedia en de idealen van het geletterde
denken wordt steeds wijder. Tekstverwerker, microfiche, geheugenbank
en, straks, laserstralen knabbelen aan onze leesvaardigheid. En, zegt
taalkundige George Steiner (die op 27 juni 1985 voor het N.I.A.S. in
Wassenaar een lezing houdt) bevorderen de babbelzucht.
Over de smaak van onbespoten leesvoer op eilandjes van stilte.
Recente onderzoekingen, in het bijzonder in Frankrijk, maar inmiddels
ook overgenomen door Amerikaanse geleerden als Robert Darnton, hebben
ons veel geleerd over de geschiedenis van de uitgeverij, van het
boekenvak, van de boekhandel, van de verspreiding van boeken en over
het boek als tastbaar voorwerp zoals dat onder de lezers circuleert. De
Fransen hebben een hele school rondom het onderzoek naar de
geschiedenis van het boek en van het lezen gevormd, studiecentra voor
de verspreiding van het boek van Gutenberg tot de dag van vandaag. Zo
weten we nu meer dan ooit in het verleden, meer ook dan we ooit dachten
te zullen weten, over de geschiedenis van het boekenbedrijf, het
openbare maar ook het clandestiene, de verboden politieke en religieuze
literatuur, dat omvangrijke deel van de ijsberg dat op bepaalde
momenten in de 17de eeuw en 18de eeuw in bepaalde samenlevingen de
hoofdmoot van het bedrijf vormt.
Er komen cijfers beschikbaar die ons nopen onze mening over het boek
geheel te herzien, van de verschijning van de eerste boekverkopers, de
stationarijen (het oude, van het Latijn afgeleide woord), stedelingen
die zowel uitgever als boekhandelaar waren en die zich rond 1170
beginnen te manifesteren, tot het heden, een lang en trots verleden.
Nu kunnen we ook iets naspeuren van de geschiedenis van de uitgeverij,
de boekhandel, de boekdistributie en boekproduktie, van naar schatting
3500 nieuwe titels gedurende de hele 15de eeuw tot de meer dan drie
miljoen nieuwe titels die tussen 1975 en 1980 verschenen.
Over de geschiedenis van het lezen, over de veranderingen in de
economische omstandigheden, in de sociologie, in de psychologie, in de
techniek en de hoedanigheid van het voelen, en zelfs in het fysieke
handelen en de opvattingen, die het lezen van boeken omringen, weten we
echter verbluffend weinig. De vermaarde opmerking in de gedenkschriften
van Augustinus dat zijn leermeester in Milaan, Ambrosius, de eerste man
was die hij ooit had zien lezen zonder dat hij zijn lippen bewoog, is
een van de schaarse goudklompjes, lichtende kristallen van kennis die
wij bezitten. Die opmerking vertegenwoordigt een omvangrijk hoofdstuk
uit de menselijke geschiedenis, de overgang van het hardop lezen, van
het fysiek volgen met de mond van de letters door zelfs de geleerdste
mannen, de kerkvaders, naar het veel complexere gebeuren van het
stemloze lezen, het lezen zonder de mime van ogen en lippen terwijl zij
de tekst volgen. We zouden wensen dat we meer van zulke observaties
hadden, maar we hebben ze niet.
En zo blijft ook de geschiedenis van het hoe, wanneer en wat vrouwen
lazen voor zij zich enigszins konden emanciperen een raadselachtig en
intrigerend onderwerp. We zouden graag veel meer dan nu willen weten
over het speculatieve vermoeden dat in het glorierijke Europa van de
18de eeuw de aristocratie weliswaar boeken bezat, maar ze niet las; wel
technisch volledig geletterd was, maar niet de leespraktijk en de
leesgewoonten bezat zoals wij die nu kennen. Deze en andere gebieden
blijven vooralsnog vrijwel onontgonnen.
De band van de mens met geschreven teksten is altijd gecompliceerd
geweest, altijd beladen met emoties en metaforische associaties die
direct teruggaan tot de oorsprong van de mens en naar die oude
Hebreeuwse, maar niet uitsluitend Hebreeuwse, want we komen haar ook in
andere Middenoosterse talen tegen, formule - het Boek des Levens. We
moeten ons het leven zelf in zekere zin
voorstellen als een boek dat wij lezen.
We denken daarbij aan die geweldige passage in het boek
Ezechiël, waar de goddelijke stem de profeet, de
tegenstribbelende profeet, verordonneert de rol der wet op te eten, in
zijn mond te steken, de tekst tot zich te nemen, in zijn lichaam op te
nemen. Hier dringt zich de ietwat oneerbiedige vraag op: is dit de
eerste consumptielectuur, het eerste leesvoer?
Uit tal van mythologieën kennen we het mysterie van het eerste
begin van de geschreven tekst. Een voorbeeld daarvan is de legende van
Bellerophon in de wat onzekere verwijzing in Homerus. Maar ook hier
zijn de onbekende gebieden immens. Legenden, mythen, revolutionaire
mythologieën vertellen ons over mensen die sterven om de tekst
van een boek te behoeden of, zoals in de befaamde laatste bedrijf van
Brechts toneelstuk Galileo, van mensen die hun leven wagen om een
handschrift over een politieke of theologische grens te voeren.
Niettegenstaande is en blijft de geschiedenis van de handeling van het
lezen verbazingwekkend fragmentarisch en globaal.
Het einde van een
tijdperk
Het lijkt alsof wij allen vandaag de dag het aflopen van de klassieke
tijd van de leeskunst meemaken. Het einde van een tijdperk van een
grote en bevoorrechte geletterdheid, van een zekere instelling ten
aanzien van het boek, die zeer grof aangeduid, duurde van de tijd van
Erasmus tot de gedeeltelijke instorting van de wereld der
middenklassen, van de wereldorde der bourgeoisie en van het stelsel van
onderricht en waarden die wij daarmee in onze eeuw vereenzelvigen. Het
is stellig geen toeval dat dit tijdperk - dat ik op niet meer dan vier
eeuwen zou willen stellen, een heel korte periode - dat deze pakweg 400
jaren in de geschiedenis van de schilder-, de ets-, de houtgravure- en
tekenkunst samenvallen met een opvallende reeks portretvoorstellingen
die een lezende persoon tot onderwerp hebben. Een man of vrouw die
alleen, staand of zittend, leest, de lecteur of liseuse, zoals zij
haast typologisch worden genoemd. Van Holbeins Erasmus - dat in de
wijze waarop dit schilderij is geschilderd al een toespeling is op de
figuur van de Heilige Hieronymus in zijn studeervertrek, de Heilige
Hieronymus die leest en zich voorbereidt op zijn vertaling van de
Bijbel - tot en met een van de laatste grote meesterwerken in dit
genre, de Lezende vrouw van Van Gogh. Ik zou het de wezenskenmerken van
deze periode van 400 jaar willen noemen - en het blijken zeer
bijzondere kenmerken, veel meer dan wij, dunkt mij, beseft hadden. Ik
wil hierbij verwijzen naar wat de Frankfurter Schule van de
sociologische kritiek wordt genoemd, een denkwijze waaraan wij veel
dank verschuldigd zijn, naar die briljante, en toch zo simpele en
magnifieke uitlating van de filosoof Adorno die zei dat je geen
kamermuziek kunt hebben als je daarvoor niet een heel speciale kamer
hebt. Een in al haar eenvoud verbluffende opmerking die nooit eerder
was gemaakt en die de aanzet was tot veel van het onderzoek naar, en de
inzichten in de relatie tussen zekere muziekvormen en de ruimten, de
economische omstandigheden, de instrumentale mogelijkheden, de
ontvankelijkheid van het publiek, waarmee deze vormen zo nauw
samenhangen.
Als wij nu aan dit model vasthouden, krijgen we allereerst de
privé-bibliotheek, de persoonlijke in tegenstelling met de
institutionele, dat wil zeggen het monastieke of academische eigendom
van de leesmiddelen: je bent eigenaar van het boek dat je leest. Je
gaat er niet voor naar de kloosterbibliotheek, niet naar een openbaar
instituut; het is jouw boek. We zijn nu begonnen met het bestuderen van
de economische omstandigheden, de ruimtelijke voorwaarden, hier van
doorslaggevend belang, waaronder de privé-bibliotheek of
leeskamer of het leeskabinet zich ontwikkelde. We hebben boekenkasten
nodig, heel belangrijk. Op dit punt begint ook de geschiedenis van de
bouwkunst een grote bijdrage te leveren. Wanneer kwamen boekenkasten
voor particulieren beschikbaar - ook hier weer onderscheiden van
bijvoorbeeld de aan kettingen verankerde boekerijen in de kloosters, of
de boeken aan kettingen zoals we die nog in onze tijd in het oude
gedeelte van de Bodley-bibliotheek in Oxford en de oudste faculteiten
in Cambridge kunnen vinden. Wanneer kwamen er boekenplanken waarvan je
een boek kunt afpakken, terugzetten, de boeken anders kunt
rangschikken, boeken bijzetten, enzovoorts?
Ruimte is uiteraard meer dan alleen dimensie; het is ook stilte; het is
een afzondering van de rest van de huiselijke bedrijvigheid, en het is
ook tijd en beschikbaarheid van tijd. Hier zijn de klassieke teksten
die van Montaigne, die wees op de autistische afzondering van het
serieuze lezen, het feit dat zelfs diegenen die ons het meest nastaan,
vrouw en kinderen, dierbare vrienden, indringers zijn als wij aan het
lezen zijn. Het beeld dat ik tracht op te roepen wordt bij uitstek
belichaamd door de beroemde ronde torenbibliotheek van het Chateau de
Montaigne, dat tot de dag van vandaag intact is gebleven en waar wij
het vermaardste voorbeeld van een klassiek leven van lezen, dat van
Montaigne de lecteur, kunnen herbeleven. De stilte die hij eiste, de
afzondering, de tijd, de rust. En pas nu wij heel geleidelijk aan iets
meer te weten komen over het lawaai dat er was, over de verdeling van
de tijd in het huiselijk leven, in de beroepen, kunnen we met enige
zekerheid gissen naar de hoeveelheid tijd die men per dag aan lezen kon
besteden, hoe vaak het stil genoeg was om serieus te kunnen lezen.
In het klassieke tijdperk, was de kunst van het lezen bijna een
contract tussen de privacy en de geprivilegeerde lezer enerzijds en de
vertrouwde sociale wereld anderzijds. Economische machtsrelaties waren
voor een dergelijk privé-contract dan ook onontbeerlijk. Ik
heb het nu over een bevoorrechte klasse, bevoorrecht wat betreft de
ruimte waarover zij kon beschikken, bevoorrecht in haar
materiële betrekkingen.
Het is duidelijk dat het einde van de 18de eeuw, de Franse Revolutie en
de Industriële Revolutie, reeds aanzienlijke verandering in de
verbreiding en de vormgeving van de kunst van het lezen teweeg brengen.
Voor het eerst beginnen boeken een massamedium te worden. Openbare
bibliotheken, lezersclubs
en
-genootschappen, de sterke ontwikkeling van het boekenbedrijf en het
nieuwe bondgenootschap tussen boek en tijdschrift, de nieuwe
betekenissen die het woord 'pers' krijgt, betekenen een enorme
vergroting en diversificatie van de toegankelijkheid van leesstof voor
mannen en vrouwen.
Ik wil hier opnieuw een kanttekening plaatsen: wanneer wij brieven en
dagboeken, zelfs uit die periode van revolutie en overgang, van een
sterke verbreding van de horizon van de geletterde kennis, bestuderen,
blijft het uiterst moeilijk het aandeel van vrouwen daarin op zijn
juiste waarde te schatten. We weten dat zij werden aangemoedigd
kinderen op een zeer elementair niveau voor te lezen. Voor zover we nu
kunnen nagaan, is de strijd om vrouwen toegang tot de bibliotheek te
verschaffen, zelfs tot die in het huis van haar eigen echtgenoot - het
zij met nadruk gezegd - zwaar en langdurig geweest. Het was niet iets
dat de geletterde elite gemakkelijk afging. Slechts zeer geleidelijk
verwerven vrouwen het recht van de bibliotheekplanken te kiezen wat zij
wensen te lezen, en we zien hier dan ook een zeer ingewikkelde
overlapping van mannelijk machtsbesef en het zeer diepgaande probleem
van wat betamelijk was, welke vormen van literatuur betamelijk voor
vrouwen, in het bijzonder voor jonge vrouwen, werden geacht. We horen
iets van dit motief doorklinken in de openingsscènes van
Vanity Fair en in de verschillen tussen de leesgewoonten en de ambities
van de alom bekende Beek Sharp aan de ene kant en van de volgzame
Amelia Sedley aan de andere kant. En dat is wel erg laat.
Ik wil het er op houden dat de perioden van, zeg, van de Franse
Revolutie tot de rampen van de wereldoorlogen een oase is geweest, een
oase van kwaliteit, waarin zeer grote literatuur, en ook zeer groot
niet-literair werk een massapubliek bereikte. (Ik ga hier voorbij aan
het zeer moeilijke probleem dat het agrarische deel vrijwel in het
geheel niet las, aan het feit dat boeken onder de plattelandsbevolking
in het Westen amper verkrijgbaar en al evenmin gewild waren. Niettemin
zou ik, afgaande op de groei van het leespubliek in de steden, het
volgende willen stellen: dat we tussen 1790 en 1914 een uniek, want
uniek mogen we het zeker wel noemen, moment constateren waarin het
allerbeste van wat wordt gedacht en geschreven aanslaat bij een groot
publiek - hoge oplagen, een ruime circulatie, een brede lezerskring.
Dit geldt zelfs voor poëzie. Figuren als Byron, Lamatine en
Tennyson, en in de nadagen ook nog een gecompliceerd fenomeen als
Rudyard Kipling, spreken van een tijd waarin poëzie - en geen
gemakkelijke poëzie- zeer grote oplagen beleefde.
Maar als de grote literatuur zich richt tegen de lezer uit de
middenklasse, die zozeer had bijgedragen tot het optimistisch elan en
de verscheidenheid in het denken en voelen van de 19de eeuw, begint de
wereld van Balzac en Dickens af te sterven. In de wereld van
Mallarmé (waarschijnlijk de invloedrijkste enkeling bij de
overgang van het Westen naar de moderne tijd), de wereld van Proust en
Joyce, begint die eensgezindheid in de verwachtingen uiteen te vallen.
De esoterici, de kluizenaars, de experimentelen wenden zich af van -
laten we het maar duidelijk en simpel stellen - de energie van de
semi-intellectueel.
De desintegratie zegt en de oude waarden van Erasmus, Bacon en
Montaigne, die het begin van de klassieke periode van de leeskunst
hadden ingeluid, vervagen. Anders gesteld, wat we nu zien gebeuren is
een zoeken naar het geheime boek, het verborgen boek, het boek dat
alleen voor ingewijden te bevatten is, zoals in Finnegans Wake, zoals
in delen van Ulysses, een beweging d stellig analoog is met die in de
abstracte en non-figuratieve kunst en mogelijk ook in de atonale muziek.
Wat mij blijft bezighouden is de mogelijkheid dat dit zoeken naar het
grote verborgen boek, naar de openbaring door middel van een esoterisch
meesterwerk in zekere zin een poging, een onbewuste of onderbewuste
poging waarschijnlijk, is om iets in de plaats te stellen voor de
Bijbel en het verlies aan gezag van de Schrift en verhalende
schrijfkunst na de 19de eeuw.
Ik hoef hier nauwelijks bewijzen aan te halen voor de steeds wijder
wordende kloof tussen het semi- of sub-alfabetisme van de moderne
massamedia en de idealen van het geletterde denken in de oude betekenis
van het woord. De bewijzen daarvoor zien we overal om ons heen.
Laten we eens een samenleving beschouwen die nog steeds bevoorrecht en
elitair is - Groot-Brittannië. Zelfs hier zijn de tekenen niet
te loochenen. In Groot-Brittannië verschijnen over een
willekeurige periode van twaalf maanden nog altijd meer serieuze titels
dan in de Verenigde Staten. Kwaliteitsboeken blijven er langer in druk
dan in Amerika, waar ze al gauw geramsjt worden. De ruimte die voor
recensies wordt uitgetrokken en het peil van die recensies is nog
altijd de moeite waard. De kwaliteit van de paperbacks - maar
paperbacks vormen geen bibliotheek, hoe nuttig ze ook zijn - is zeer
behoorlijk. Openbare bibliotheken spelen er nog een belangrijke rol.
Met belezenheid valt nog groot politiek gewin te behalen; ik bedoel
daarmee dat de macht en het prestige nog in hoge mate berust bij
diegenen die behoren tot een cultuur van het citaat, een cultuur waarin
goede literatuur wordt erkend en als referentiekader fungeert.
Maar overal in Groot-Brittannië worden boekwinkels gesloten;
bellettrie verdwijnt er net zo snel als overal elders in de ramsj; de
ruimte die aan serieuze besprekingen van boeken op gespecialiseerde
terreinen wordt gewijd en de kwaliteit van die besprekingen nemen
schrikbarend af en de recensienormen staan overal onder grote druk. Dit
zijn echter nog luxe problemen; het zijn nog altijd nostalgische
problemen. In Amerika is de situatie nog veel alarmerender.
Twintig jaar geleden, en dat is niet zo erg lang, was een uitgever die
2500 exemplaren van een eerste roman tegen een prijs van $4,50 verkocht
uit de kosten. Nu zijn die cijfers minimaal 15 duizend exemplaren tegen
een prijs van $ 13,95. In 1958 - ook nog niet zo lang geleden - werd 72
percent van alle boeken verkocht door onafhankelijke, uit een winkel
bestaande boekhandels. Tegenwoordig wordt 52 percent verkocht door vier
grote ketens van boekhandels. Van 1982 af nemen vijf uitgevers meer dan
50 percent van alle boeken op de Amerikaanse massamarkt voor hun
rekening. Tien uitgevers nemen 85 percent voor hun rekening. Daaronder
zijn namen als Time Inc., Gulf+Western, MCA, Time Mirror Inc., de
Hearst Corp., CBS en Newhouse Publications.
De situatie is bijna zoals die in de klassieke marxistische analyse: de
afzet en de verspreiding van boeken heeft zich niet alleen in enkele
handen geconcentreerd, maar die handen zijn bovendien in sociologisch
en politiek opzicht vrijwel niet meer van elkaar te onderscheiden.
Welke verschillen er ook in stijl, in persoonlijkheid, in anekdote
bestaan, in cultureel opzicht vertegenwoordigen zij een vrijwel
monolitische en monopolistische visie.
Niet kunnen lezen
zonder geluid
De cijfers die het ministerie van Onderwijs in Washington verstrekt
zijn de volgende: aangenomen wordt dat 27 miljoen Amerikanen helemaal
niet meer kunnen lezen -dat wil zeggen dat zij volgens de normen van
het ministerie niet meer (ik citeer) "de waarschuwing op een bus met
een giftig onkruidbestrijdingsmiddel" kunnen lezen. Nog eens 35 miljoen
Amerikanen lezen slechts op een niveau dat ver beneden de
overlevingseisen van onze samenleving geacht moet worden. Vijftig
procent van alle zwarte 17-jarigen zijn functioneel analfabeet. En 15
percent van alle leerlingen in de hoogste klassen van het Amerikaanse
middelbare onderwijs heeft een leesniveau beneden dat van de zesde klas
van de lagere school. Onder de 158 lidstaten van de Verenigde Naties
die cijfers en bijzonderheden over de verspreiding van boeken en
lectuur hebben verstrekt, nemen de V.S. wat betreft de leesontwikkeling
een 49ste plaats in. De meest geletterde landen ter wereld zijn
Zwitserland en Israël.
In Boston kan nu 40 percent van de volwassen bevolking technisch als
analfabeet worden betiteld. Het aantal mensen dat als niet lezend werd
geregistreerd is nu reeds driemaal zo groot als in 1970. Ik zou nog met
deze lijst kunnen doorgaan, en het is geenszins met polemische
bedoelingen dat ik er uit citeer - qua eerlijkheid en nietsontziende
zelfkritiek liggen de Verenigde Staten stellig veel voor op Europa. Wat
mij echter vooral verontrust is niet zozeer het analfabetisme op een zo
elementair niveau als wel het wat luxueuzere probleem van de afgenomen
leesvaardigheid bij de lezer uit de geletterde middenklasse, van zijn
onwil zich die eilandjes van stilte, die luxe in zijn huiselijk
bestaan, zijn tijd en zijn concentratie te veroorloven waarmee het
lezen in klassieke zin, zoals ik het trachtte aan te geven, altijd
omringd is geweest. Volgens een cijfer - misschien is het
niet betrouwbaar maar het klinkt alsof het niet ver
van de waarheid is - zou tachtig percent van de alfabeten tieners in
Amerika, tieners dus die goed onderwijs hebben genoten, niet kunnen
lezen zonder begeleidend geluid, zonder muziek van een grammofoon of,
en dit is een fenomeen dat tot nadenken stemt - een televisiescherm,
waar dan niet naar gekeken wordt maar dat ergens in de hoek van het
blikveld staat te flikkeren. Nu weten we maar erg weinig van de
hersenen en hoe ze reageren op gelijktijdig ontvangen en met elkaar
strijdige prikkels, maar ons gezonde verstand doet ons hier slechts het
ergste vrezen. Dat wil zeggen, de breuk tussen concentratie, stilte,
afzondering en deze vorm van half-lezen, van half-waarnemen tegen een
achtergrond van lawaai, raakt de kern van onze ideeën van
belezenheid, en maakt zeer wezenlijke inspanningen van het bevattings-
en het concentratievermogen onmogelijk, om maar te zwijgen van de
grootste eer die een mens een gedicht of prozafragment kan bewijzen,
namelijk het uit zijn hoofd leren en dat kan hij alleen als hij niets
anders aan zijn hoofd heeft.
Onder dergelijke omstandigheden is de vraag welke toekomst er is
weggelegd voor de klassieke kunst van het lezen geenszins overdreven.
Er wachten ons technische, psychische en sociale veranderingen die
waarschijnlijk veel ingrijpender zullen zijn dan die welke door
Gutenberg werden teweeggebracht. Ik zei al eerder dat er vooral na de
uitvinding van de boekdrukkunst een overvloed aan fraai verluchte, met
de hand geschreven manuscripten verscheen. Velen beschouwden de nieuwe
mode van het boekdrukken als iets vulgairs, onaangenaam om te lezen,
iets dat in zekere zin de egotistische, maar extatische band tussen de
lezer en het bezit van het voorwerp van zijn verrukking verbrak. Zij
bleven daarom speciaal voor hem geschreven en verluchte manuscripten
bestellen. De Gutenbergse revolutie, zoals wij die nu kennen, duurde
zeer lang. Zij verliep zeer traag en over de uitwerking ervan wordt nog
altijd gediscussieerd. Wat nu voor ons ligt, lijkt veel dieper te
zullen ingrijpen. Het is wat we de informatierevolutie noemen.
Deze revolutie zal gevolgen hebben voor alle facetten van het
schrijven, het uitgeven, de verspreiding en het lezen. Niemand in het
boekenbedrijf kan met enige zekerheid zeggen wat er zal gebeuren met
het boek zoals wij dat hebben gekend in het komende tijdperk van de
tekstverwerker, de microfiche, de geheugenbank op een schaal die we ons
nauwelijks kunnen voorstellen, van opzoektechnieken met een precisie en
een reikwijdte waarvan we ons slechts een voorstelling kunnen maken,
van de opslag en de overdracht van teksten door middel van lasers en
met een snelheid die groter is dan die van computers van de vierde
generatie, enzovoorts.
Er is geen aspect van het lezen, het schrijven en het verspreiden van
teksten dat door deze zeer bijzondere processen onberoerd zal blijven.
Het noemen van een paar kleine voorbeelden is als het ware niet meer
dan knabbelen aan een continent van verandering. Zelf heb ik het idee,
al is dat misschien volkomen onterecht, dat tekstverwerkers op een heel
interessante en verlokkelijke manier een heel subtiel inflatoir effect
hebben. Zij bevorderen de babbelzucht. Teksten worden langer omdat het
invoegen van nieuwe tekst niet onvermijdelijk tot elimineren van ander
materiaal dwingt. En wat wij uiteindelijk als definitieve tekst
overhouden is niet meer dan een historisch overzicht van een
opeenvolging van conceptteksten. Iedereen die in het onderwijs werkzaam
is, kan bevestigen dat het al zover is.
Het boek een
luxe-artikel
De microfiche en de geheugenbank doen vermoeden dat er in de overvolle
ruimten van onze tijd, in de dichtbevolkte stedelijke gebieden waar het
idee van een eigen bibliotheek, een eigen leesvertrek, allang een
romantische en hooggegrepen luxe is, een gelukkige samenloop van
technologie en een aantal beperkende omstandigheden heeft
plaatsgegrepen. In het benepen appartement in de torenflat, de sterk
teruggedrongen kantoorruimten van de grote ondernemingen, zegt de
geheugenbank u dat u geen planken meer nodig hebt, dat het klassieke
boek, dat onhandige ding dat steeds weer opnieuw afgestort of
ingebonden moet worden, overbodig is geworden. U kunt nu met een druk
op de knop beschikken over naslagmethoden en bibliografieën
waarvan de grootste geleerde nooit heeft durven dromen. U hebt nu in uw
eigen huis niet de aristocratische luxe van een eigen bibliotheek die,
hoe uitgebreid ook, nog altijd erg klein is; nee, u kunt, hoe
democratisch, beschikken over de informatie uit alle grote bibliotheken
in de wereld.
Vanuit mijn zeer beperkte gezichtspunt, dat van de academicus, beginnen
de resultaten van dit alles alweer de grootste problemen op te leveren.
Voor scripties en dissertaties, lange en korte proefschriften wordt een
hoeveelheid literatuur geraadpleegd waarvan vroegere generaties
geleerden nooit hadden durven dromen. Bibliografieën geven de
laatste stand van de wetenschap weer, ze zijn actueler dan ooit
mogelijk is geweest. Wat bewijst dat de persoon die ze op het scherm
heeft opgeroepen er ook maar een regel van gezien heeft? Ook die
kritiek is te overhaast. Moeten we iemand afstraffen omdat hij de
laatste stand van zaken op zijn terrein of in zijn discipline
ogenblikkelijk zichtbaar kan maken? Hebben we niet allemaal, ook in een
tragere tijd, zelfs in een tijd waarin alles met de hand werd
geschreven, wel eens boeken in een bibliografie opgenomen die we
nauwelijks hadden ingezien en die we in ieder geval niet grondig hadden
bestudeerd? Ik kan op die vraag geen eenvoudig antwoord bedenken, maar
het zal niet lang duren voor de hele wetenschappelijke en academische
wereld ermee wordt geconfronteerd.
Het vergaren van informatie zal mogelijkheden bieden die we ons nog
amper kunnen voorstellen. De opslag en de overdracht van teksten door
middel van lasertechnieken is een hoofdstuk dat nog niet eens begonnen
is, een hoofdstuk waarin de verspreiding van woorden, van talen, van
beelden alweer alles overtreft waarvan we ooit hadden kunnen dromen.
Het is niet uitgesloten -en ik uit slechts een vermoeden - dat het boek
in particulier bezit in de vorm waarin wij het kennen, het gedrukte
boek (ook al zijn de letters dan langs elektronische weg gegoten en
gezet), een luxe artikel zal worden. Het zal een artikel voor bijzonder
gebruik worden, zoals de handschriften die na Gutenberg vervaardigd
werden. Hetzelfde geldt voor het met de hand gebonden, met de hand
gezette en op geschept papier gedrukte livre d'art, zoals dat vooral in
frankrijk nog speciaal voor verzamelaars naast de handelseditie wordt
gedrukt. Het ziet ernaar uit dat de kunst van het lezen fundamenteel
zal veranderen.
Het heeft er nu alles van weg dat de kunst van het lezen in drie vrij
scherp gescheiden hoofdcategorieën uiteen zal vallen. De
eerste blijft vermoedelijk die enorme amorfe massa
verstrooiingslectuur, het boek ter ontspanning -het vliegveldboek. Deze
vorm van lectuur zal waarschijnlijk op den duur niet eens meer de vorm
hebben van de goedkope paperback zoals we die nu kennen, maar via de
kabel zijn weg vinden naar een scherm in de huiskamer. Je kiest het
boek dat je wilt, het tempo waarin je het op het scherm gepresenteerd
wilt hebben, de snelheid waarmee de pagina's worden omgeslagen. Een
deel daarvan, misschien wel een fors deel, zal de kijker worden
voorgelezen door een beroepslezer. Of deze beroepslezer op het scherm
de tekst begeleidt - er wordt al meer geëxperimenteerd - zodat
u zelfde tekst ziet terwijl een stem op de achtergrond die voorleest,
dan wel dat de tekst gewoon wordt voorgelezen terwijl u luistert,
blijft nog een open vraag. Beide methoden worden bestudeerd. Maar de
vorm waarin, en de omstandigheden waaronder dit gebeurt zijn reeds te
vinden in een zeer populair programma als dat van de Home Service van
de BBC, A Book at Bedtime waar de luisteraars iedere avond een boek
hoofdstuk voor hoofdstuk wordt voorgelezen. Dit is nog een omslachtige
en moeilijke methode vergeleken bij de mogelijkheid het voorlezen van
boeken vooraf op te nemen of bijvoorbeeld het tonen van illustraties,
collages van illustraties, terwijl een stem de tekst declameert.
Dit soort lectuur zal zeker in enorme hoeveelheden aangeboden blijven
worden. Het is mogelijk dat de cultuur van de Walkman, de cultuur van
de 'totale onderdompeling in geluid', zoals het wel door psychologen is
genoemd, er een wordt waarin muzieksalvo's zullen worden afgewisseld
met brokken tekst, of waarin tekst tegen een eeuwige achtergrond van
Muzak te horen zal zijn. De technische middelen daarvoor zijn reeds
volop aanwezig. Het tweede soort lectuur zal dienen ter informatie, ter
vergroting van de kennis, ter vorming, de 'literatuur van de kennis'
zoals Thomas DeQuincy het noemde, wel te onderscheiden van de roman,
het gedicht en het toneelstuk, die hij de 'literatuur van de macht'
noemde. Deze literatuur van de kennis, het microcircuit, de
silicium-chip, de laserrevolutie zal, zoals ik al trachtte aan te
geven, ingrijpen in onze methoden en gewoonten op een wijze die alle
verbeelding tart. De prachtige fabel van Borges over 'De bibliotheek
van Babel', dat wil zeggen, de bibliotheek van alle mogelijke
bibliotheken, de bibliografie aller bibliofgrafieën, zal
letterlijk en daadwerkelijk toegankelijk zijn voor alle mensen en
instellingen. Zij zal op het scherm opgehaald kunnen worden en hier
zijn, zoals ik probeerde aan te tonen, de mogelijkheden voor een zeer
fundamentele verandering in de structuur van de interesse en het
inzicht schier onmetelijk.
En hoe zal het gaan met het lezen in de oude, archaïsche,
persoonlijke, stille betekenis? Dit zou wel eens weer een even
gespecialiseerde vaardigheid en roeping kunnen worden als het in de
scriptoria en bibliotheken van de kloosters in de zogeheten 'duistere
middeleeuwen' was. Nu weten we hoe belangrijk deze eeuwen zijn geweest,
een lichtend voorbeeld waar het gaat om geduld, om het besef wat behoed
en gekopieerd moest worden om te kunnen voortbestaan.
Privé-bibliotheken zullen misschien weer ooit zo bijzonder,
zo zeldzaam worden als ze waren toen Erasmus en Montaigne om de hunne
vermaard waren, toen alom werd gesproken en gediscussieerd over de
prachtige collectie van Montesquieu in La Brede. De gedachte dat je een
kamer, misschien zelfs een grote ruimte, vol boeken hebt, geen
paperbacks, maar gebonden boeken, de gedachte dat je het volledige werk
van een schrijver bezit, de gedachte dat je een volledige eerste druk
weet te verzamelen, niet persé het zeldzame boek uit de
Morgan Library, nee, de volledige eerste druk van het werk van een
moderne schrijver, de hoop alles te kunnen bezitten van een schrijver
van wie je houdt - goed, slecht, middelmaat - het vermogen, en bovenal
de wil, je volledig te concentreren op een veeleisende tekst, grondig
de taal, de kunst van het memoriseren, de tactiek van de totale
aandacht en concentratie te beheersen die belangrijke bezoeken van ons
eisen - dit alles zat wellicht weer een praktijk van een elite, een
mandarinaat van de stilte, worden. Als ik er de macht toe zou hebben,
als ik zou mogen experimenteren, zou ik niets liever willen dan dit
pretentieuze web van zogeheten mens- en alfawetenschappen waarin we
momenteel gevangen zitten, afschaffen en van onze voorwetenschappelijke
opleidingen weer gewoon leesscholen maken. Weer helemaal bij het begin
beginnen. Ik zal daarvan een paar kleine voorbeelden van geven, zonder
betweterig te willen zijn. Wanneer je muziek wilt leren en je zou tegen
de leerling of de leraar zeggen : "moet je nu echt al die toonladders
leren, moet je weten wat kruisen en mollen zijn, moet je weten wat een
kwint of een akkoord of een oplossing is?" zou je vriendelijk de deur
worden gewezen.
Als je tijdens een eerstejaars-college kunstgeschiedenis zou
vragen: "Luister eens, ik ben een heel gevoelig type. Moet ik
echt weten of Botticelli voor Renoir kwam? Dat zijn dorre feiten. Die
kan ik zelf wel opzoeken", zou zelfs in de meest populistische
opleidingen iedereen bezwaar maken. Toch staat het er wat betreft de
literatuur en de kunst van het lezen nu precies zo voor. Prosodie en
metriek, bijvoorbeeld, zijn geen ornamenten, zij zijn de muziek van de
betekenis. Een gedicht is een gedicht omdat het een metrum heeft. Hoe
zou het in godsnaam anders een gedicht kunnen zijn? Vraag de
eerstejaars studenten op onze universiteiten niet een mooie regel
poëzie te ontleden en te beschrijven -een kennis die rond de
eeuwwisseling iedere schooljongen op een behoorlijke school nog
beheerste. Ik zou weer helemaal opnieuw beginnen. Ik zou met mensen om
een tafel gaan zitten en tegen ze zeggen dat we iets dat we allemaal
mooi vinden, een gedicht of een roman of een toneelstuk, gaan bekijken
en lezen zonder lawaai om ons heen, en zonder enig kritisch apparaat.
We zullen ook proberen of we misschien een stukje uit het hoofd kunnen
leren. We zullen de vraag stellen wat een jambe is, wat een spondee is,
wat een trochee is, omdat de man die even verderop piano zit te spelen,
weet dat hij zelfs de allersimpelste bewerking van de Mondscheinsonate
niet kan spelen als hij niet weet wat maat en ritme is. Het is dus heel
goed mogelijk dat het vermogen om serieuze, aandacht eisende teksten
voorlopig weer het voorrecht wordt van een elite van geoefende mannen
en vrouwen die in veel opzichten lijkt op dat handjevol kloosterlingen
zonder wie wij hier vandaag niet zouden zijn, en dank zij wier
bedrevenheid in het schrijven en kopiëren in de vroege
middeleeuwen ons al die mogelijkheden van de westerse literatuur en
beschaving zijn doorgegeven.
Het grote verschil met het verleden zal naar mijn mening het volgende
zijn. Zo'n mandarinaat, zo'n elite van geletterde mannen en vrouwen,
van tekstminnaars, zal niet de macht, de politieke invloed, het
prestige bezitten die het tijdens de Renaissance of tijdens de
Verlichting, of zelfs tot bijna het einde van de Victoriaanse tijd
bezat. Die macht zal vrijwel onvermijdelijk toebehoren aan het
'a-literaat', aan het 'cijferdom'. Zij zal in toenemende mate in handen
komen van diegenen die, hoewel zij in technisch opzicht amper meer in
staat zijn een behoorlijk boek te lezen en daartoe al helemaal niet de
wil bezitten, wel reeds voordat zij volwassen zijn uiterst verfijnde
software produceren die van groot logisch denkvermogen en inzicht
getuigt. De machtsbetrekkingen zullen steeds meer komen te liggen bij
hen, mannen en vrouwen, die zich hebben bevrijd van de zware last van
de geletterde kennis en het referentiekader waarbinnen deze gedijt, van
het feit dat vrijwel alle grote literatuur doorverwijst naar andere
grote literatuur, maar die wel scheppers zijn - niet-lezers, maar
scheppers van een nieuwe orde.
De kring van lezers, lezers in de oude betekenis van het woord, zou wel
eens heel klein kunnen worden, en zal enige tijd waarschijnlijk ook
vrij machteloos zijn. Hij zal bestaan uit geletterde mannen en vrouwen
zoals we die nu nog aantreffen in de traditionele uitgeverijen. Hij zal
bestaan uit amateurs in de ware betekenis van het woord, van
'liefhebbers', van mannen en vrouwen die waarschijnlijk niet opvallen
door hun financiële of sociale aura. Hij zal bestaan uit
mensen die, curieus genoeg, weer aan het begin van een klassieke
periode van lees-kunst zullen staan.
Van Erasmus wordt verteld hoe hij op zekere avond op weg naar huis een
stukje bedrukt papier in de modder zag liggen. Toen hij bukte om het op
te rapen zou hij een kreet van vreugde hebben geslaakt, overweldigd
door het wonder van het boek, de loutere verwondering over wat er
achter het oprapen van zo'n mededeling ligt. Wij kunnen tegenwoordig,
in een verkeersopstopping op de snelweg of in de drukte van de stad, op
ieder gewenst moment een cassette met de Missa Solemnis afspelen.
We kunnen, via de paperback en binnen afzienbare tijd via de
kabeltelevisie, eisen, bevelen, dwingen dat ons de grootste,
moeilijkste, meest tragische of verrukkelijkste wereldliteratuur wordt
geserveerd, keurig verpakt en voor consumptie gereed. Dit is een grote
luxe. Maar het valt nog te bezien of het iets toevoegt aan het wonder
dat de confrontatie van een mens met een tekst van klasse altijd weer
is.»
[Steiner, linguïst, criticus - en een van 's werelds meest
vooraanstaande intellectuelen - schreef enige belangrijke
literair-wetenschappelijke boeken, waaronder Language and Silence, In
Bluebeard's Castle en After Babel.]
Dit artikel is een uittreksel van een lezing die hij in 1985 in
New York hield, en verscheen in De Volkskrant van zaterdag 22 juni 1985
(vertaling Willem Witteveen).