Doris Lessing
Aan Doris Lessing
werd de Nobelprijs voor LIteratuur 2007 toegekend. Haar
aanvaardingstoespraak bevat behartigenswaardige woorden over het belang
van (kunnen) lezen. De vertaling gaat hieronder, de oorspronkelijke
tekst vindt u hier.
*-*
Ik sta in een
deuropening, kijkend door stofwolken naar waar men mij zegt dat nog
ongekapt bos is. Gisteren reed ik door kilometers stompen, en
geblakerde vuurresten, waar in 1956 nog een van de mooiste bossen stond
die ik ooit zag, nu geheel verwoest.
Dit is noordwest Zimbabwe in de vroege jaren negentig, en ik ben op
bezoek bij een vriend, een voormalig onderwijzer uit Londen. Hij is
hier "om Afrika te helpen", zoals wij het noemen. Het is een
zachtmoedige, idealistische man, en wat hij hier in deze school aantrof
heeft hem bijzonder gedeprimeerd; een depressie van waaruit hij maar
moeilijk herstelt. Deze school is als alle andere die na de
Onafhankelijkheid zijn gesticht. Het zijn vier naast elkaar gelegen
bakstenen kamers, direct in het stof geplaatst -
één, twee, drie vier, met een halve kamer aan een
kant, de bibliotheek. In deze klaslokalen zijn schoolborden, maar mijn
vriend houdt de krijtjes in zijn zak, anders worden ze gestolen. Er is
geen atlas, noch een globe in de school, geen leerboeken, geen
schriften, geen balpennen en in de bibliotheek zijn geen boeken die
kinderen zouden willen lezen: dikke delen van Amerikaanse
universiteiten, zwaar zelfs om te tillen, afdankers uit blanke
bibliotheken, detectives, of met titels als "Een weekend in
Parijs" of "Felicity vindt de liefde".
Een geit probeert wat voedsel te vinden in oud gras. De
hoofdonderwijzer heeft geld van de school achterover gedrukt en is
geschorst, hetgeen een voor ons allen voor de hand liggende vraag
oproept, de echter in doorgaans meer bijzondere omstandigheid: hoe kan
het toch dat deze mensen zich zo gedragen, terwijl ze weten dat
iedereen het ziet?
Mijn vriend heeft geen geld, want iedereen, leerlingen en leraren,
lenen van hem als hij uitbetaald krijgt, en waarschijnlijk zullen ze
nooit terugbetalen. De leerlingen zijn tussen de zes en zesentwintig
jaar oud, omdat sommigen die niet eerder naar school gingen, hier zijn
om dat in te halen. Enkele leerlingen moeten elke ochtend kilometers
lopen, in regen of zonneschijn, en rivieren oversteken. Ze kunnen geen
huiswerk doen omdat er geen elektriciteit in de dorpen is; het studeert
niet prettig bij het licht van een houtvuur. De meisjes moeten water
halen en koken als ze van school thuis komen èn voor ze naar
school gaan.
Terwijl ik met mijn vriend in zijn kamer zit, komen mensen verlegen
binnen. Iedereen vraagt om boeken. "Stuur ons alsjeblieft boeken, zodra
je in Londen terug bent." Een man zei: "Ze hebben ons leren lezen maar
we hebben geen boeken." Iedereen die ik ontmoette, iedereen, smeekte om
boeken.
Ik was er enkele dagen. Het stof woei langs, er was weinig water want
veel pompen waren stuk. De vrouwen haalden weer water uit de rivier.
Een andere, idealistische, onderwijzer uit Engeland was
behoorlijk aangeslagen bij de aanblik van deze "school".
Op de laatste dag, het was het einde van het schooljaar, ze slachtten
de geit, versneden tot een hoop kleine stukjes die in een groot blik
werden gekookt. Naar dit eindejaarsfeest was lang uitgekeken, gekookte
geit met pap. Terwijl het nog aan de gang was, vertrok ik, terug door
de verkoolde resten, de stompen van het bos.
Ik denk niet dat er veel van de leerlinge van deze school prijswinnaar
zullen worden.
De volgende dag ben ik op een school in Noord-Londen, een goede school
- iedereen kent de naam ervan. Het is een jongensschool. Stevige
gebouwen, mooie tuinen.
Deze leerlingen krijgen elke week bezoek van een bekende
persoonlijkheid, en het hoort tot de natuurlijke gang van zaken dat zo
iemand een vader kan zijn, een familielid, zelfs een moeder van
één van de leerlingen. Bezoek door een
beroemdheid is gewoon voor hen.
De school in het verwaaide stof in het noordwesten van Zimbabwe is in
mijn gedachten, als ik naar die half verwachtingsvolle gezichtjes kijk,
en ze probeer te vertellen wat ik de week ervoor heb gezien.
Klaslokalen zonder boeken, zonder leerboeken, zonder een atlas, zelfs
zonder een kaart die op de muur is geprikt. Een school waar de leraren
smeken boeken toegestuurd te krijgen, waaruit ze kunnen leren hoe ze
moeten lesgeven, zij die zelf slechts achttien of negentien jaar oud
zijn, ze smeken om boeken. Ik vertel deze jongens dat iedereen,
iedereen smeekt om boeken. "Stuur ons boeken alstublieft." Ik
weet zeker dat een ieder die hier een toespraak houdt dat moment kent,
dat de gezichten die je aankijken uitdrukkingsloos zijn. Je luisteraars
kunnen niet bevatten wat je zegt: er zijn geen beelden in hun hoofd die
overeenkomen met wat je hen vertelt. In dit geval, het beeld van een
school die in het stof staat, waar watertekort is en waar, aan het
einde van het schooljaar de traktatie bij uitstek een vers geslachte
geit is die in een grote pot wordt gekookt.
Is het echt zo moeilijk voor hen zich zulke armoede in te beelden?
Ik doe mijn best. Zij zijn beleefd.
Ik ben er tamelijk zeker van dat uit deze groep enkelen tot de
prijswinnaars zullen gaan behoren.
Dan is het voorbij, en ben ik alleen met de leraren, en vraag steevast
hoe het met de bibliotheek gesteld is, of de leerlingen lezen. En hier,
in deze bevoorrechtte school verneem ik wat ik altijd verneem als ik
naar scholen ga, zelfs op universiteiten.
"Ach, u weet hoe het gaat. Veel van deze jongens hebben nooit gelezen,
de bibliotheek wordt maar half gebruikt."
"U weet hoe het gaat". Nou, zeker weten we hoe het gaat. Wij allemaal.
We leven in een gefragmenteerde cultuur, waar aan onze
zekerheden die we enkele decaden geleden nog hadden nu getwijfeld
wordt, en waar het gewoon is voor jonge mannen en vrouwen die jaren van
onderwijs achter de rug hebben, niets te weten over de wereld, niets te
hebben gelezen, doch slechts verstand hebben van de een of andere
specialiteit, bijvoorbeeld over computers.
Wat ons is overkomen, is een verbazingwekkende uitvinding, computers en
het Internet en TV, het is een revolutie. Het is niet de eerste
revolutie die wij, het menselijk ras, te verwerken hebben gekregen. De
revolutie van het gedrukte woord, die zich niet voltrok in een paar
decaden maar over een veel langere periode, veranderde onze geest, onze
manier van denken. Roekeloos als wij zijn, hebben we het over ons heen
laten komen, zoals we altijd doen, zonder ons af te vragen: "Wat gaat
er nu met ons gebeuren, na deze uitvinding van de boekdrukkunst?" En
evenmin hebben we stilgestaan bij de vraag "Hoe zal onze
geest, hoe zullen wij, veranderen met dit nieuwe Internet", dat een
heel generatie verleid heeft met zijn gekte, tot een niveau waarop
zelfs heel verstandige mensen zullen bekennen, nadat ze er eenmaal aan
verslingerd zijn geraakt, zich er bijna niet meer van kunnen losmaken,
die moeten vaststellen dat een heel dag verdwenen is met bloggen en
blaggen (de werkwoordsvorm van blagger).
Nog maar kort geleden zou zelfs een lager opgeleide respect hebben voor
leren, voor onderwijs, en schatplichtig zijn aan onze welgevulde winkel
met literatuur. Natuurlijk weten we ook dat in deze gefortuneerde
omstandigheid mensen zouden voorwenden dat ze lezen, maar het is ook
vastgesteld dat werkende mensen verlangden naar boeken - het bewijs
ervoor wordt gevonden in bibliotheken, verenigingen, academies voor
werklieden, uit de achttiende en negentiende eeuw.
Lezen, boeken, het was onderdeel van algemene opvoeding.
Oudere mensen die spraken met de jongeren moeten de mate van opvoeding
die in lezen schuilgaat begrepen hebben, omdat de jongeren zoveel
minder weten. Als kinderen niet kunnen lezen, is het omdat ze het niet
hebben geleerd.
We kennen allemaal dit trieste verhaal.
Maar we kennen het eind er nog niet van.
We herinneren ons het oude adagium, "Lezen creëert een
volledig mens" - en, terwijl we de grappen over je volproppen met eten
overslaan, lezen vult de vrouw, de man met informatie, over
geschiedenis, over zoveel verscheiden kennis.
Maar we zijn niet de enige mensen in de wereld. Een tijdje geleden
kreeg ik een telefoontje van een vriendin die vertelde dat ze in
Zimbabwe was geweest, in een dorp waar de mensen in drie dagen geen
eten hadden gehad, maar waar ze spraken over boeken, hoe ze er aan
moesten komen, spraken over onderwijs.
Ik maak deel uit van een kleine organisatie, die begon met het
voornemen om boeken naar de dorpen te brengen. Er was een groep mensen
die in een ander verband de uithoeken van Zimbabwe hadden bereisd. Zij
rapporteerden dat de dorpen, anders dan wat elders werd verteld, vol
zitten met intelligente mensen, met gepensioneerde onderwijzers, met
onderwijzers met verlof, met kinderen die vakantie hebben, met oude
mensen. Ik betaalde zelf een onderzoekje naar wat mensen wilden lezen
en ontdekte dat de uitkomsten hetzelfde waren als die van een Zweeds
onderzoek, dat ik daarvoor niet kende. Mensen wilden hetzelfde lezen
als Europeanen, als die al lezen - romans in al hun verscheidenheid,
science fiction, poëzie, detectives, toneelstukken,
Shakespeare - de zelfhulpboeken, zoals die hoe je een
bankrekening moet openen, stonden laag in het overzicht. Alles van
Shakespeare: zij kenden de titels. Het is een probleem voor
de dorpelingen boeken te vinden, omdat zij niet weten wat er
verkrijgbaar is, zo kan een boek van de boekenlijst voor school, zoals
de Mayor of Casterbridge, populair worden, omdat men weet dat het
verkrijgbaar is. Animal Farm is, om voor de hand liggende redenen, de
meest populaire roman.
Onze bescheiden organisatie scharrelde overal boeken vandaan, maar
vergis u niet, een pocket-boek uit Engeland kost een maandloon - dat
was voor Mugabe's terreurregering. Nu, met de inflatie, zou het een
paar jáárlonen kosten. Maar een doos met boeken
naar een dorp brengen - er is een groot benzine-tekort - die
doos zal met tranen worden ontvangen. Binnen een week zouden er
leeslessen worden gegeven. Gegeven door zij die kunnen lezen aan hen
die de kunst nog niet machtig zijn, lessen op eigen initiatief - in
één klein dorp, omdat er geen romans beschikbaar
zijn in Tonga, ging een stel kerels ze maar zelf in het Tonga
schrijven. Er zijn een stuk of zes hoofd-talen in Zimbabwe, en in elk
ervan zijn romans beschikbaar, incestueus, vol misdaad en moord.
Onze bescheiden organisatie werd vanaf het begin vanuit Noorwegen
ondersteund, en daarna door Zweden. Zonder deze hulp zou onze toevoer
van boeken zijn opgedroogd. In Zimbabwe gepubliceerde romans, ook de
doe-het-zelf boeken, worden verzonden naar hen die ernaar dorsten.
Het wordt gezegd, dat elk volk de regering krijgt die het verdient,
maar ik denk dat dat voor Zimbabwe niet opgaat. Laten we niet vergeten
dat dit ontzag voor en de honger naar boeken niet afkomstig is van
Mugabe's regime, maar van dat ervoor, van de blanken. Het is een
verrassend fenomeen, deze honger naar boeken, die overal kan worden
waargenomen, van Kenia tot Kaap de Goede Hoop.
Het houdt onwaarschijnlijk verband met een feit: ik werd grootgebracht
in wat goeddeels een rietgedekte, met modder bepleisterde hut was. Zo'n
huis werd altijd al gebouwd, overal waar maar bossen gras worden
gevonden, en bruikbare leem, enkele staanders voor de muren. In het
Saxisch Engeland bijvoorbeeld. Die waarin ik opgroeide had vier kamers,
in plaats van één, de een naast de ander, en let
wel, zij stond vol boeken. Van Engeland tot Afrika, overal haalden mijn
ouders boeken vandaan, en mijn moeder bestelde ook kinderboeken uit
Engeland, die kwamen in grote pakken met bruin papier, ze waren de
vreugde van mijn jonge jaren. Een lemen hut, maar vol met boeken.
Soms krijg ik brieven van mensen die in een dorp zonder water of
elektriciteit wonen (zoals ons gezin, in onze verlengde, lemen hut):
"Ik zal ook schrijver worden, want ik woon in net zo'n huis als waarin
u leefde."
Maar hier begint het probleem. Nee.
Schrijven, schrijver, komt niet uit een huis zonder boeken.
Dat is het punt. Daar zit het probleem.
Ik heb eens naar de toespraken van uw recente prijswinnaars gekeken.
Neem bijvoorbeeld de schitterende Pamuk. Hij vertelde dat zijn vader
vijftienhonderd boeken had. Zijn talent kwam niet uit de lucht vallen,
hij was met een grote traditie verbonden.
Neem nou V.S. Naipaul. Hij vermeldt dat de Indiase Veda's nauw
verbonden waren met de herinneringen in zijn familie. Zijn vader
stimuleerde hem tot schrijven. En toen hij rechtmatig in Engeland was
gearriveerd, gebruikte hij de British Library. Ook daar was hij dicht
bij de grote traditie.
Neem John Coetzee. Hij was niet alleen dicht bij de grote
traditie, hij wàs de traditie: hij onderwees literatuur in
Kaapstad. En het spijt me zo dat ik nooit een van zijn lessen heb
kunnen bijwonen, gegeven door die wonderbare, dappere en uitgesproken
geest.
Om te kunnen schrijven, om literatuur te kunnen maken, moet er een nauw
verband zijn met bibliotheken, met boeken, met de Traditie.
Ik heb een vriend uit Zimbabwe. Een schrijver. Zwart - en daar gaat het
om. Hij leerde zichzelf lezen van jampot-etiketten, van die op blikjes
ingemaakte vruchten. Hij groeide op in een gebied waar ik doorheen
reed, een gebied voor provinciale zwarten. De aarde is er vol gruis en
grit, met lage verspreide struiken. De hutten zijn arm, niet zoals de
beter onderhouden van hen die wat meer te besteden hebben. Een school,
zoals ik heb beschreven. Hij vond een weggegooide kinder-encyclopedie
op een vuilnisbelt, en leerde er uit.
Op Onafhankelijkheidsdag 1980, was er een groep Zimbabwaanse
schrijvers, een waar nest vol zangvogeltjes. Ze waren opgegroeid in het
voormalig Zuid Rhodesië, onder de blanken - in de
missie-scholen, de betere scholen. Schrijvers worden niet gemaakt in
Zimbabwe. Niet op de gemakkelijke manier althans, niet onder Mugabe.
Al die schrijvers legden een moeilijke weg af naar geletterdheid, laat
staan naar het schrijverschap. Ik zeg u, het gedrukte woord op
jampotjes en weggegooide encyclopedieën waren hen niet
ongewoon. We spraken over de honger van de mensen naar een zeker niveau
van educatie, waar zo zo ver vanaf stonden. Een hut, hutten met veel
kinderen - een overwerkte moeder, het gevecht voor voedsel en kleding.
Echter, ondanks deze belemmeringen, ontstonden er schrijvers - en dat
is iets dat we ons moeten blijven realiseren. Dit is Zimbabwe, pas een
honderd jaar ervoor overwonnen. De grootvaders en grootmoeders van deze
mensen zouden de verhalenvertellers van hun stam geweest kunnen zijn.
De orale traditie. In één generatie, twee
misschien, de overgang van herinnerde verhalen die mondeling werden
overgeleverd, naar het gedrukte woord, naar boeken. Wat een prestatie.
Boeken, letterlijk uit de vuilnisbelt en het afval van de blanke wereld
getrokken. Maar je mag dan een stapel papier hebben (geen typoscript,
dat is al een boek), dan moet er nog een uitgever komen, die je
betaalt, geen schulden maakt, de boeken distribueert. Ik heb
verschillende verslagen ontvangen die gewaagden over een
uitgeverswereld in Afrika. Zelfs in het meer geprivilegieerde
noordelijk Afrika, met zijn andere tradities, is gewagen van
een uitgeverswereld een droom vol mogelijkheden.
Ik spreek hier over boeken die nooit zijn geschreven, schrijvers die ze
niet konden schrijven omdat er geen uitgevers zijn. Stemmen die nooit
gehoord zijn. Het is amper voor te stellen hoeveel talent, potentieel
hier verloren gaat. Maar zelfs vóór dat stadium
van het scheppen van een boek, dat een uitgever vergt, een voorschot,
aanmoediging, ontbreekt er nog iets anders.
Aan schrijvers wordt vaak gevraagd "hoe schrijf je"? Met een
tekstverwerker? Een elektrische typemachine? Een ganzeveer? Met de
hand? Maar de kernvraag is, "heb je een ruimte gevonden, die lege
ruimte, die je kan omringen als je schrijft"? In die ruimte, die de
vorm van luisteren aanneemt, van aandacht, komen de woorden, de woorden
die je personages gaan spreken, de ideeën - inspiratie.
Als een schrijver zo'n ruimte niet vindt, blijven gedichten
en verhalen ongeboren.
Als schrijvers met elkaar praten, gaat het vaak over die ruimte, die
andere tijd. "Heb je die gevonden? Hoe hou je het vast?"
Laten we naar een ander, schijnbaar ander gebied verspringen. We zijn
in Londen, een van de grote steden. Er is een nieuwe schrijver. We
vragen ons cynisch af hoe haar borsten er uit zien. Is ze
aantrekkelijk? Als het een man is, of hij charisma heeft, er goed uit
ziet. We maken een grap, maar het is geen grap.
De nieuwe vondst wordt geprezen, krijgt waarschijnlijk veel geld. Het
gonzen van de paparazzi begint in hun arme oren. Ze worden
gefêteerd, bejubeld, de wereld in gestuurd. Wij, ouderen die
het allemaal al hebben gezien, voelen medelijden met deze novice, die
geen idee heeft wat er eigenlijk gebeurt.
Hij, zij, voelt zich gevleid, is tevreden.
Maar binnen een jaar denken ze, en ik heb ze gehoord, "dit is
het ergste dat me had kunnen overkomen".
Zoveel nieuw-uitgegeven schrijvers hebben nooit meer geschreven, of
hebben niet meer geschreven wat ze hadden willen doen, wat ze zich
voorstelden.
En wij, de ouderen, willen in die onschuldige oren fluisteren "Heb je
je ruimte nog? Je enige, je eigen en zo noodzakelijke plek, waar je
eigen stemmen tot je gaan spreken, waar je kunt dromen - oh, hou het
toch vast, laat het niet gaan."
Er moet toch een soort opleiding zijn?
Mijn hoofd is vol met prachtige herinneringen aan Afrika, die ik
opnieuw kan beleven als ik dat wil. Wat te denken van die
zonsondergangen, goud en paars en oranje, die zich 's avonds over de
hemel uitstrekt. Wat te denken van die vlinders, motten, bijen op de
geurende struiken van de Kalahari? Of, gezeten aan de oever van de
Zambesi, waar die kabbelt tussen de bleke, grassige kanten, in het
droge seizoen, donkergroen en glanzend, met alle vogels van Afrika rond
de oevers. Ja, olifanten, giraffen, leeuwen en de rest, er waren
zoveel, en wat te denken van de nachthemel, niet vervuild, zwart en
wonderbaarlijk, vol rusteloze sterren.
Maar er zijn andere herinneringen. En jongeman, achttien wellicht, in
tranen, staand in zijn "bibliotheek". Een Amerikaan die op bezoek is en
een bibliotheek zonder boeken ziet, zend een krat vol, en deze jonge
man haalt ze er een voor een uit, eerbiedig, en wikkelt ze in plastic.
"Maar", zeggen we, "deze boeken zijn toch zeker om te lezen?", en hij
antwoordde, "Nee, ze zullen vuil worden, en hoe vind ik ooit andere?"
Hij wil dat we hem uit Engeland boeken sturen waaruit hij kan leren
lesgeven. "Ik heb vier jaar voortgezet onderwijs", bedelt hij, "maar ze
hebben me nooit leren lesgeven."
Ik heb een onderwijzer gezien in een school waar geen leerboeken waren,
zelfs geen krijt voor het bord - dat was gestolen - die zijn klas van
zes- tot achttienjarigen lesgaf door stenen in het stof te verschuiven,
zingen "twee maal twee is ..." enzovoort. Ik heb een meisje gezien,
misschien niet ouder dan twintig, eveneens zonder leerboeken,
schriften, pennen, zonder iets, die het alfabet in het zand schreef met
een stok, terwijl de zon neerbrandde, het zandverwoei.
We zien zo'n grote honger naar onderwijs in Afrika, overal eigenlijk in
de Derde Wereld, of hoe we die delen van de wereld ook maar noemen,
waar ouders er naar verlangen dat hun kinderen onderwijs krijgen, die
hen uit de armoede kan trekken, verlangen naar de voordelen van
onderwijs.
Ons onderwijs dat tegenwoordig zo bedreigd wordt.
Probeert u zich eens voor te stellen dat u in zuidelijk Afrika bent, in
een Indiase winkel, in een arme uithoek, in een tijd van ernstige
droogte. Er staat een rij mensen te wachten, vooral vrouwen, met elke
denkbaar voorwerp dat water kan bevatten. Elke dag krijgt deze winkel
een voorraad water uit de stad, en de mensen wachten op dit kostbare
water.
De Indiase man staat met zijn handpalmen op de toonbank, en kijkt naar
een zwarte vrouw, gebogen over een stapel papier die er uit ziet of het
uit een boek is gescheurd. Ze leest Anna Karenina.
Ze leest langzaam, de woorden prevelend. Het boek ziet er ingewikkeld
uit. Dit is een jonge vrouw, met twee kleine kinderen die aan haar
benen hangen. Ze is zwanger. De Indiase meneer is bedrukt, de
hoofddoek van deze vrouw, die wit zou moeten zijn, geel is van het
stof. Stof ligt op haar borsten en op haar armen. De man is bedrukt
door de rij wachtende mensen, zo dorstig, en hij heeft niet genoeg
water voor ze. Hij is boos omdat hij weet dat verderop, voorbij de
stofwolken, mensen sterven. Zijn broer, ouder, die eerst op de winkel
had gepast, zegt dat hij even vrijaf neemt, en vertrok naar de stad,
ziek door de droogte.
Deze man is nieuwsgierig. Hij vraagt de jonge vrouw, "wat lees je?"
"Het gaat over Rusland", zegt het meisje.
"Weet je waar Rusland ligt?". Hij weet het zelf nauwelijks.
De jonge vrouw kijkt hem recht aan, vol waardigheid, ofschoon haar ogen
rood van het stof zijn, "ik was de beste van de klas - mijn leraar zei
dat ik de beste was."
De jonge vrouw hervat het lezen - ze wil de paragraaf nog uit hebben.
De Indiase man kijkt naar de twee kleine kinderen en grijpt naar Fanta,
maar de moeder zegt, "Fanta maakt ze dorstig".
De Indiase man weet dat hij het eigenlijk niet zou moeten doen, maar
hij reikt naar een plastic vat naast hem en giet twee bekers vol water,
en geeft die aan de kinderen. Hij kijkt hoe de vrouw haar kinderen ziet
drinken, haar mond meebewegend. Hij geeft haar ook een beker water.
Haar te zien drinken doet hem pijn, haar dorst doet zeer.
Dan geeft ze hem de plastic water-container, die hij vult. De jonge
vrouw en haar kinderen kijken nauwgezet toe, dat hij maar niet morst.
Ze buigt zich opnieuw over haar boek. Ze leest langzaam, de alinea
boeit haar, en ze leest hem nog eens.
«Varenka, met haar witte hoofddoek over haar zwarte haar,
omringd door de kinderen en vrolijk en goedgehumeurd druk met hen, en
tegelijk zichtbaar opgewonden door de mogelijkheid van een
huwelijksaanzoek van de man waar ze om gaf, zag er aantrekkelijk uit.
Koznyshev liep naast haar en wierp bewonderende blikken op haar. Naar
haar kijkend dacht hij aan alle verrukkelijke dingen die hij over haar
lippen had horen komen, alle goed dat hij van haar wist, en hij werd
zich er meer en meer bewust van dat zijn gevoel voor haar iets
zeldzaams was, iets dat hij maar eenmaal eerder had gevoeld, lang, lang
geleden, in zijn vroege jeugd. De vreugde bij haar te zijn nam met elke
stap toe, en nam allengs zo'n vorm aan dat hij, terwijl hij een enorme
berk-paddestoel met een slanke steel en een omgekrulde muts in haar
mand legde, hij in haar ogen keek, en, de zweem van blije en tegelijk
wat angstige opwinding die zich over haar gezicht verspreidde waarnam,
was hij in zichzelf verward, en hij gaf haar een glimlach die te
veelzeggend was.»
Dit brok drukwerk ligt op de toonbank, naast een paar oude
tijdschriften, een paar krante-pagina's, meisjes in bikini.
Het is tijd voor haar te vertrekken uit deze veilige haven van de
Indiase winkel, te beginnen aan de zes kilometer terug naar haar dorp.
Het is tijd ... buiten is er de onrust, het geklaag uit de rij
wachtende vrouwen. Hij weet wat het dit meisje zal kosten, terug naar
huis, met die twee jengelende kinderen. Hij zou haar het stuk proza
willen geven, maar hij kan niet werkelijk geloven dat dit magere meisje
met die bolle buik het echt kan begrijpen.
Hoe komt eigenlijk een derde deel van Anna Karenina daar op die
toonbank te liggen, ver weg in die Indiase winkel? Dat komt zo.
Een zekere hoge functionaris, Verenigde Naties nota bene, kocht een
exemplaar van deze roman in een boekwinkel, voordat hij aan
zijn reis over diverse oceanen en zeeën begon. In
het vliegtuig, comfortabel in zijn business class stoel, scheurde hij
het boek in drie stukken. Terwijl hij dit doet, kijkt hij
rond naar zijn medepassagiers, wetend dat hij geschokte, geamuseerde,
nieuwsgierige blikken zal zien. Als hij goed en wel zit, zijn gordel
vast, zegt hij hardop tegen iedereen die het maar wild horen: "Dit doe
ik altijd op een lange reis. Het is niet prettig een groot zwaar boek
al die tijd te moeten vasthouden." De roman was een pocket,
maar, zeker, het is een lang boek. Deze man is er aan gewend
dat men naar hem luistert als hij spreekt. "Ik doe dit altijd op reis",
vertrouwt hij zijn luisteraars toe, "Reizen is tegenwoordig al moeilijk
genoeg." Zodra de anderen zitten opent hij zijn deel van Anna Karenina,
en begint te lezen. Wanneer mensen zijn richting uitkeken, vertrouwde
hij hen toe, "Nee, echt, dit is de enig goede manier van reizen." Hij
kende de roman, vond hem mooi, en deze oorsponkelijke manier van lezen
kruidt per slot het al bekend boek.
Waar hij het eind van een deel van het boek bereikte, belde hij een
stewardess, en stuurde het naar zijn secretaresse, die in de goedkope
stoelen zat. Dat veroorzaakte veel interesse, veroordeling en zeker
nieuwsgierigheid, telkens wanneer een deel van de grote Russische roman
achter in het vliegtuig aankwam, geschonden, maar leesbaar. In het
algemeen maakt deze slimme manier om Anna Karenina lezen indruk, en
waarschijnlijk zal niemand die er bij aanwezig was, het
voorval vergeten.
Intussen, in de Indiase winkel, klampt de jonge vrouw zich nog aan de
toonbank vast, haar kleine kinderen hangen aan haar rok. Ze draagt een
spijkerbroek, want het is een moderne vrouw, maar daarover draagt ze
een wollen rok, onderdeel van de traditionele dracht van haar volk:
haar kinderen kunnen zich gemakkelijk aan de dikke plooien vasthouden.
Ze gaf de Indiase man, van wie ze wist dat die haar aardig vond en
medelijden met haar had, een dankbare blik, en
stapte naar buiten, de stofwolken in.
De kinderen waren het huilen voorbij, hun kelen uitgedroogd door het
stof.
Het was moeilijk, ja, dit was moeilijk, dit lopen, een voet na de
andere, door het stof verborgen in de kuilen onder haar voeten.
Moeilijk, moeilijk - maar ze was gewend aan moeilijkheden, nietwaar?
Haar gedachten waren nog bij het verhaal dat ze gelezen had.
Ze dacht, "zij is net als ik, met haar witte hoofddoek, en ze zorgt ook
voor haar kinderen. Ik zou haar kunnen zijn, dat Russische meisje. Die
man daar, hij houdt van haar, zal haar ten huwelijk vragen. (Ze had
niet meer dan één alinea gelezen.) Jawel, zo zal
er ook een man voor mij komen, mij hier weghalen , mij en mijn
kinderen, ja, hij zal van mij houden en voor me zorgen."
Ze stapt voort. De jerrycan water is zwaar op haar schouder. Voort gaat
ze. De kinderen kunnen het water horen klotsen. Halverwege staat ze
stil, zet de jerrycan neer. Haar kinderen jammeren een beetje, raken de
jerrycan aan. Ze weet dat ze hem niet kan openmaken, omdat er anders
stof in waait. Tot ze thuis is kan ze hem niet openen.
"Wachten", zegt ze tegen haar kinderen, "wachten".
Ze moet zichzelf samenpakken, en verder gaan.
Ze denkt. Mijn leraar vertelde dat er daar een bibliotheek was, groter
dan een supermarkt, een groot gebouw, vol boeken. De jonge vrouw
glimlacht, terwijl ze verder loopt, het stof in haar gezicht waaiend.
Ik ben slim, denkt ze. De leraar zei dat ik slim ben. Ze zei dat ik de
slimste van de school was. Mijn kinderen zullen knap zijn, net als ik.
Ik zal ze naar de bibliotheek brengen, die plek vol boeken, en ze
zullen naar school gaan, ze zullen leraar worden, mijn leraar zei dat
ik zelf leraar zou kunnen zijn. Ze zullen hier vandaan kunnen gaan,
geld verdienen. Ze zullen bij een grote bibliotheek wonen, en een goed
leven hebben.
U wilt weten hoe dat stuk van de Russische roman op die toonbank in de
Indiase winkel terecht kwam?
Het zou een leuk verhaal zijn. Misschien vertelt iemand het wel.
Voort gaat dat arme meisje, overeind gehouden door de
gedachte aan het water dat ze thuis aan haar kinderen zal
geven, er zelf ook wat van nemen. Voort gaat ze ...
door de gevreesde stofwolken van de Afrikaanse droogte.
We zijn een versleten soort, wij in onze wereld - onze bedreigde
wereld. We zijn goed in ironie, zelfs in cynisme. Sommige woorden en
ideeën gebruiken we amper, zo versleten zijn ze. Maar
misschien gaan we sommige woorden die hun zeggingskracht hebben
verloren, herstellen.
We hebben een huis vol schatten, een schat, de literatuur die teruggaat
tot de Egyptenaren, de Grieken, de Romeinen. Ze is er, die weelde aan
literatuur, rijp om herontdekt te worden voor wie gelukkig genoeg is er
op te stuiten. Een schat. Stel eens dat ze niet zou bestaan. Hoe
armoedig, hoe leeg zouden we zijn.
We bezitten een erfenis van talen, gedichten, geschiedenissen, het is
er een die nimmer uitgeput raakt. Ze is er altijd.
We hebben een nalatenschap van verhalen, vertellingen van
verhalenvertellers, soms kennen we hun naam, soms niet. De
verhalenvertellers gaan terug en terug, naar een open plek in het bos
waar een groot vuur vlamt, de oude sjamanen dansen en zingen, want onze
erfenis begon in vuur, de wereld van geesten. En daar bevindt ze zich
vandaag nog steeds.
Vraag om het even welke tegenwoordige verhalenverteller, en ze zullen
zeggen dat er altijd een moment is waarop ze door vuur aangeraakt
worden, met dat wat we inspiratie noemen, en dat dat terug gaat tot het
begin van ons ras, vuur, ijs en de zware winden die ons en onze wereld
schiepen.
Diep in ons zit de verhalenverteller verborgen. De verhalenmaker is
altijd bij ons. Veronderstel dat onze wereld wordt overweldigd door
oorlog, door verschrikkingen die we ons maar al te gemakkelijk kunnen
inbeelden. Veronderstel dat vloeden door onze steden gutsen,
de zeeën rijzen ... maar de verhalenverteller zal er zijn,
want het is onze verbeelding die ons vormt, behoedt, schept - de goede
en de kwade kant. Het zijn onze verhalen, de verhalenverteller, die ons
zal herscheppen als we verscheurd zijn, gewond zelfs, vernietigd. Het
is de verhalenverteller, de maker van dromen, de maker van mythen die
onze foenix zal zijn, wat we zijn als we op ons best zijn, als we het
meest creatief zijn.
Dat arme meisje, vermoeid stappend door het stof, dromend over een
opleiding voor haar kinderen, wij denken dat we beter zijn dan zij -
wij, volgepropt met eten, onze kasten vol kleren, gesmoord in onze
overbodigheden.
Ik denk dat het dat meisje en die vrouw zijn, die spraken
over boeken en over een opleiding terwijl ze drie dagen niet hadden
gegeten, die ons nog zullen bepalen.