Jeroen Brouwers
«In
de loop van de dagen tussen de dood en de crematie van mijn moeder heb
ik in al mijn boekenkasten gezocht naar een boekje waarvan ik toen nog
zeker wist dat ik het bezat, maar dat ik niet meer blijk te bezitten.
Te vaak verhuisd en daarbij boeken kwijtgeraakt, gaandeweg te cynisch
geworden en mijn liefde voor boeken verloren, te vaak te veel dingen
uit mijn verleden verbrand zogenaamd uit onsentimentaliteit, zogenaamd
uit afschuw voor dat verleden.
Dat boekje is Daantje gaat op reis, geschreven door Leonard Roggeveen. 'Stap-stap-stap. Daar gaat Daantje...'
Ik
wenste mijn moeder te gedenken in het beste dat ze mij heeft
meegegeven: mijn moeder heeft mij, uit dat boekje, uit dat alsnog
verloren gegane vooroorlogse exemplaar, dat was bevlekt, besproet,
verkreukeld en gescheurd, leren lezen. In Indië, in het Jappenkamp,
begin van de jaren veertig. Ik kreeg het boekje op mijn vijfde
verjaardag.
Gezeten aan mijn schrijftafel had ik, op het moment dat
mijn moeder tweehonderd kilometer verderop in de vuuroven verdween, te
harer ere, hardop uit dat boekje willen voorlezen, om haar daarmee mijn
hommage te brengen, zoals ik het goed dacht te doen.»
Uit: Bezonken Rood; Amsterdam, Arbeiderspers, 1982 (4e druk); p 12