
|
Alleen
om het lezen zou ik mijn kinderjaren graag over willen doen. Niet om de
fietstochten en het sleetjerijden, niet om de appelpluk en de
sneeuwpop, maar om die uren van wisselwerking tussen een leesboek en
mijn ogen. Ik had aandacht voor een ding en dat ding reageerde op mij.
Het boek en ik, we waren een druk kakelende tweeling in een zee van
stilte. Ik kan hartstochtelijk terug verlangen naar die sfeer waarin ik
mijn eerste boeken las. Ik herinner me de letters en illustraties, de
banden en het papier, maar ook de geur en de vlekken. Ik herinner me de
glazen bol die was gesapnnen over mijn boek en mij. Ik herinner me het
gekakel. Het waren dagen van geluk, want ik had zelf nog niets te
kakelen. Ik kakelde het boek na. Ik zag nieuwe woorden en uit die
nieuwe woorden groeiden in mijn hoofd nieuwe situaties. Er waren
beelden die ik toen voor het eerst zag en klanken die ik toen voor het
eerst hoorde. Als ik het boek uit had was ik verdubbeld,
verdrievoudigd. Ik werd rijker door overgave.
(Gerrit Komrij in de inleiding tot Leesliefde - uitgave
De Bijenkorf, 2002) |

|